Generatie D10

Johanna de Lange 1877 – 1919  ~ Teunis Bos 1875 – 1937 ~ Grietje Oskam 1894 – 1960

Teunis Bos op zijn boerderij in Kockengen, met één van z’n paarden die een veulen heeft gekregen. Kleurenfoto omstreeks 1925.

Teunis Bos op zijn boerderij in Kockengen, met één van z’n paarden die een veulen had gekregen. Kleurenfoto omstreeks 1925.

D10 Teunis Bos, zoon van Jannigje Kersbergen en Gijsbert Bos (D9) werd geboren op de hofstede Vrederust ter hoogte van Gerverscop 7 in Harmelen op zondag 17 oktober 1875. Vijf maanden later overleed zijn moeder en werd haar broer Teunis Kersbergen aangesteld als toeziend voogd over hem en zijn één jaar oudere broer Jan Gijsbert Bos (D9.14). Teunis was het vijftiende kind van zijn vader, die eerder gehuwd was geweest met Neeltje van Mever. Ze hadden dertien kinderen gekregen en acht kinderen waren als baby overleden. Toen Teunis zestien maanden was hertrouwde zijn vader weer en werd Janna Oskam zijn stiefmoeder. Vier jaar later stopte zijn vader met boeren omdat het bedrijf onvoldoende opbracht. In het voorjaar van het jaar 1881 verhuisde de 4 jarige Teunis met zijn ouders, twee halfzussen, drie halfbroers en zijn broer uit Harmelen naar Baambrugge, waar een kruidenierswinkel aan Dorpstraat 14 werd gekocht.

Toen Teunis 10 was overleed zijn grootmoeder Fijgje Kersbergen. Hij en zijn broer erfden een klein vermogen van haar. En op aandringen van toeziend voogd Teunis Kersbergen, nam zijn vader een deel van hun erfenis als hypotheek op en stelde daar de winkel en het woonhuis aan Dorpstraat 14 in Baambrugge tegenover. Zodoende werd dit onroerend goed formeel het eigendom van de twee jongens (1). Teunis wilde graag boer worden en ging rond z’n vijftiende op boerderij Aastein – aan de Ter Aaseweg 6 in Ter Aa – wonen en werken. Hij was daar in de leer bij zijn zwager Andries Versloot, de man van Jannigje Bos (D9.2).

De voormalige boerderij met het tolhek voor het ‘Pad van Bos’ ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Potloodtekening van Karel Bakker, circa 1975.

De voormalige boerderij met het tolhek voor het ‘Pad van Bos’ ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Potloodtekening van Karel Bakker, circa 1965.

Op 18 jarige leeftijd werd Teunis door zijn broer Jan Gijsbert uitgekocht en omstreeks 1894 huurde hij een veehouderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Dat was vlakbij zijn oom Dirk Sloesarwij (D8.7) die iets verderop een boerderij had, ter hoogte van Wagendijk 20. Naast de aankoop van vee, landbouwmachines en inboedel liet hij van een deel van zijn legaat een tolweg aanleggen over de landerijen die hij huurde in Kockengen, naar het buurtschap Teckop waar zijn vader was geboren. De inkomsten van de tol waren zeer lucratief voor hem en later voor zijn nageslacht. Onder de foto van Teunis Bos op de fotogalerij staat iets over de achtergrond van zijn boerderij en die tolweg.

Teunis Bos leidde zijn bedrijf en delegeerde het meeste uitvoerend werk. Maar de paarden die hij hield waren z’n lust en z’n leven, daar deed ie alles voor. Omdat hij niet vaak in werkkleding rondliep en zich graag in kostuum kleedde, werd hij ‘herenboer’ genoemd. Teunis trouwde op 23 jarige leeftijd in Kockengen op vrijdag 17 maart 1899 met de 21 jarige Johanna de Lange. Zij werd geboren in Kockengen op dinsdag 17 juli 1877 als oudste dochter van Pieter de Lange en Marretje Hoogendoorn, een zus van Neeltje Hoogendoorn (A7.9). En Aagje Hoogendoorn – de vrouw van Willem van den Bosch (C7.2) – was hun tante. Johanna’s vader, Pieter de Lange was een paar jaar eerder overleden en toen werd haar moeder eigenaar van boerderij Lockhorst, gelegen aan Wagendijk 55 in Kockengen. Johanna was de oudste dochter, ze had een jongere zus Gijsberta de Lange en een jongere broer. Foto’s van Johanna en haar broer Adrianus staan naast elkaar op de fotogalerij.  

Als getuigen bij het huwelijk van Johanna en Teunis traden op:

Cornelis Oskam, de 34 jarige oom van de bruid en de buurman van de bruidegom. Zijn veehouderij was gevestigd aan Wagendijk 12 in Kockengen. Cornelis was gehuwd met Grietje Hoogendoorn – een zus van de moeder van de bruid Marretje Hoogendoorn – en zij waren de ouders van de 8 jarige Jan Oskam, die later trouwde met Magdalena de Wit (B10.2). Verder was Adrianus Hoogendoorn huwelijksgetuige. Hij was een 26 jarige neef van de bruid en veehouder in Kockengen. Zijn moeder Aaltje de Lange was een zus van Pieter de Lange de overleden vader van de bruid. De volgende getuige was Hendrik van Dommelen, de 41 jarige oom van de bruid en veehouder in Zegveld. Hij was een broer van Magcheltje van Dommelen de schoondochter van Teunis Bos (D7.9) en getrouwd  met Maria de Lange, de andere zus van Pieter de Lange. De laatste getuige was Jan Johannes Wagenaar (D9.9) de 36 jarige zwager van de bruidegom en veenman (veenboer, turfhandelaar) te Vinkeveen.

Johanna en Teunis kregen zes kinderen, het oudste kind werd maar zeven maanden en de anderen groeiden op aan de Wagendijk in Kockengen. Johanna de Lange overleed daar toen haar jongste zoon anderhalf was op woensdag 19 maart 1919, ze werd 41 jaar.

Huwelijksfoto van Grietje Oskam en Teunis Bos, Laagnieuwkoop 1921.

Huwelijksfoto van Grietje Oskam en Teunis Bos, donderdag 3 februari 1921. Hun bruiloft werd gehouden in haar ouderlijk huis aan het hedendaagse adres Portengen 15 in de toenmalige gemeente Laagnieuwkoop en daar werd deze foto genomen.

DD10 Teunis Bos hertrouwde op 45 jarige leeftijd in de gemeente Laagnieuwkoop op donderdag 3 februari 1921 met de 26 jarige Grietje Oskam. De hele familie was op hun bruiloft aanwezig (zie fotogalerij). Grietje werd geboren in Vinkeveen, in het buurtschap Achterbos vlakbij Waverveen op vrijdag 18 mei 1894. Ze was een dochter van Neeltje Willempje Bosman en Gerrit Oskam, die daar veenboer was. Grietje had vier broers en twee zussen. Toen ze 9 was, in het jaar 1903 verhuisden ze naar de boerderij gelegen te Portengen 15 in de gemeente Laagnieuwkoop, waar haar moeder geboren was.

Daar had haar oom Arie Bosman een boerenbedrijf. Hij was weduwnaar van Jansje Doornenbal, een dochter van Reijer Doornenbal de oudste broer van Pieter Doornenbal (C8). Jansje was overleden op de boerderij in Portengen op 3 oktober 1900, ze werd maar 33 jaar oud. Ze hadden zes kleine kinderen en Arie Bosman (die twee jaar jonger was als zijn overleden vrouw) woonde daar met hen en zijn 72 jarige moeder Johanna Schouten. Hij kon het werk niet aan en de 45 jarige Gerrit Oskam nam de bedrijfsleiding over van zijn zwager. Arie Bosman hertrouwde op 26 november 1903 en vestigde zich met vrouw en kinderen in Harmelen. Een jaar later, op 29 december 1904 stierf Johanna Schouten in de boerderij te Portengen 15 en vervolgens kocht Gerrit Oskam het boerenbedrijf uit de boedel van zijn schoonmoeder.

Foto van de gezusters Grietje en Neeltje Willempje Oskam, gemaakt tijdens 1e wereldoorlog (1914 – 1918) op de boerderij in Portengen. Neeltje draagt het uniform van één van haar vrienden, die dienst moest doen in het Nederlandse leger dat vier jaar lang gemobiliseerd was.

Foto van de gezusters Grietje en Neeltje Willempje Oskam, gemaakt tijdens 1e wereldoorlog (1914 – 1918) op de boerderij in Portengen. Neeltje draagt het uniform van haar broer Arie Oskam, die toen dienst deed in het Nederlandse leger dat vier jaar lang gemobiliseerd was.

Hun vader, Gerrit Oskam had te Portengen 15 een veehouderij en was van 1909 tot zijn overlijden in 1927 wethouder van de gemeente Laagnieuwkoop. Hij was een neef van Janna Oskam, de stiefmoeder van Teunis Bos. Het waren allebei achterkleinkinderen van Jan Ariens Oskam en Grietje Jansdochter Bosch (D4.13). En zijn vrouw – Neeltje Willempje Bosman – was een halfzus van Marretje Bosman, die vrouw van Pieter Doornenbal (C8.8). Ook was zij een nicht van Marretje Hoogendoorn de moeder van Johanna de Lange, de eerste vrouw van Teunis Bos.

Als getuigen bij het huwelijk van Grietje Oskam en Teunis Bos traden op:

De 33 jarige Gijsbert Oskam, oudste broer van de bruid wonende in de gemeente Breukelen Nijenrode en veehouder aldaar in het buurtschap Kortrijk, dat grensde aan Portengen. Tevens was de 46 jarige Jan Gijsbert Bos (D9.14) huwelijksgetuige. Hij was de enige broer van de bruidegom en winkelier te Baambrugge.

Toen Grietje Oskam en Teunis Bos tien jaar getrouwd waren, brak de grote economische recessie uit die vooraf ging aan de 2e wereldoorlog. Teunis Bos beschikte over genoeg reserves. Hij had twee volwassen zonen die meewerkten in het bedrijf en ze wisten met elkaar ruim voldoende inkomsten te verwerven om in het levensonderhoud te voorzien. Grietje Oskam en Teunis Bos kregen geen kinderen. Maar in de schoolvakanties kwamen zijn kleinkinderen uit Alphen aan de Rijn, op de boerderij in Kockengen logeren. En soms namen hun grootouders ze mee uit. Zo bezochten de twee oudste kleinkinderen dierentuin Artis in Amsterdam, met Grietje Oskam en Teunis Bos. Zij reisden in één van de ruituigen die op de boerderij aanwezig waren. Er werd een paard voor gespannen en ze werden door hun ooms naar Breukelen gebracht. Vervolgens namen ze met z’n vieren de trein naar Amsterdam en visa versa.

Teunis Bos overleed op zijn boerderij aan de Wagendijk in Kockengen op zondag 28 februari 1937, hij werd 61 jaar. Zijn weduwe Grietje Oskam hertrouwde zes jaar later tijdens de 2e wereldoorlog. Ze huwde op 49 jarige leeftijd in Kockengen op donderdag 14 oktober 1943 met haar 59 jarige neef Adrianus Doornenbal (C8.8.1) en ze vestigden zich in Harmelen. Om en nabij het jaar 1951 betrokken ze een woning aan Kerkweg 16 in Kockengen en daar overleed Grietje Oskam op zondag 6 maart 1960. Ze werd 65 jaar oud.

Kinderen: 

D10.1 Jannigje Bos, dochter van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op woensdag 14 februari 1900 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Ze werd niet ouder dan zeven maanden en overleed daar op maandag 24 september 1900.

D10.2 Jannigje Bos met de roepnaam Jannie, dochter van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op zaterdag 16 augustus 1902 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Ze werd vernoemd naar haar grootmoeder Jannigje Kersbergen en haar tante Jannigje Bos (D9.2).

Jannigje Bos op 6 jarige leeftijd naast haar juf Nellie (Petronella) la Roij, de 21 jarige leerkracht van de eerste klas (groep 3) van de christelijke lagere school in Kockengen. Detail van een klassenfoto uit 1908.

Jannigje Bos op 6 jarige leeftijd naast haar juf Nellie (Petronella) la Roij, de 21 jarige leerkracht van de eerste klas (groep 3) van de christelijke lagere school in Kockengen. Detail van een klassenfoto uit 1908.

Toen Jannigje 16 was overleed haar moeder. Daarna nam ze de verzorging van haar jongere broers en zus op zich en leidde het huishouden. Tegen haar zin trouwde haar vader Teunis Bos twee jaar later, met Grietje Oskam die maar acht jaar ouder was dan zijzelf. In diezelfde periode kreeg Jannigje een relatie met een buurtgenoot. Zes jaar later trouwde ze op 24 jarige leeftijd in Kockengen op donderdag 3 maart 1927 met haar 31 jarige buurman Cornelis Wilhelm van den Broek met de roepnaam Cor. Hij werd geboren in Kockengen op maandag 14 oktober 1895 en was een zoon van Antonia Versteeg en Roelof van den Broek die eigenaar was geweest van de boerderij genaamd ‘Huis Nooit Volmaakt’ gelegen aan Wagendijk 10. Willem van den Broek de man van Cornelia van Bemmel (B8.8) was een broer van hem.

De ouders van Cor van den Broek leefden niet meer toen hij trouwde. Hij had zijn moeder verloren op 5 jarige leeftijd. Zijn oom Arie Spijker werd aangesteld als toeziend voogd. Deze kleinzoon van Cornelis Cornelisz Spijker en Janna Jansdochter Bos was eigenaar van de Spijkerhoeve aan het hedendaagse adres Overstek 10 in Kamerik en gehuwd met Willemina Arina Versteeg. Drie van Arie’s tantes waren schoonzussen van Jannigje de Bruijn en Jan-Thomas Bos (D8). De vader van Cor overleed toen hij 20 was en zijn oudere broer Dirk van den Broek werd de volgende eigenaar van het boerenbedrijf aan Wagendijk 10. Hij had daar een veehouderij en Cor woonde en werkte totdat hij trouwde op de boerderij van zijn broer.

Familiefoto gemaakt voor de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen op donderdag 3 maart 1927, tijdens de bruiloft van Jannigje Bos en Cornelis van den Broek.

Familiefoto gemaakt voor de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen op donderdag 3 maart 1927, tijdens de bruiloft van Jannigje Bos en Cornelis Wilhelm van den Broek.

Vooraan van links naar rechts: Gijsbert Oskam 39 jarige oom van de bruid, Teunis Bos 51 jarige vader van de bruid, Adriaan Bos (D10.6) 9 jarig broertje van de bruid, Grietje Oskam 32 jarige (stief)moeder van de bruid, bruid en bruidegom, Dirk van den Broek 39 jarige broer van de bruidegom, de 39 jarige Abraham Kool en zijn vrouw Anthonia Hendrika van den Broek 33 jarige zus van de bruidegom, Dirkje Anna Maria van den Broek 35 jarige zus van de bruidegom.

Tweede rij: Janna Oskam (DD9.1) 81 jarige grootmoeder van de bruid, dan Haasje Sloesarwij 17 jarige kleindochter van Haasje Bos (D8.7) die bruiloft vierde met haar buurman en achterneef, Gijsbert Bos (D10.5) 18 jarige broer van de bruid, Geertruida Bos (D9.16) 49 jarige tante van de bruid, Pieter Bos (D10.3) 22 jarige broer van de bruid, Marretje Bos (D10.4) 20 jarige zus van de bruid en de 22 jarige Gijsbert Nap met wie ze bruiloft vierde, daarnaast Jan Cornelis Oskam de 37 jarige oom van de bruid met zijn 33 jarige vrouw Adriana van Kouterik, dan zijn 32 jarige nicht Wijntje Bosman en haar 32 jarige man Jan van Eck naast zijn 31 jarige zwager Pieter Nagel en diens 31 jarige vrouw Cornelia Janna Bosman, vervolgens Jan Gijsbert Bos (D9.14) 52 jarige oom van de bruid en de 43 jarige Arnoldus Ultee, man van Dirkje van den Broek die voor hem zit.

Achteraan links: De 55 jarige Casper Berger en zijn 65 jarige schoonmoeder Jannigje Bos (D9.2) tante van de bruid, naar wie ze vernoemd werd. Tussen de kastanjebomen van links naar rechts: Jannigjes 38 jarige dochter Neeltje Versloot (vrouw van Casper Berger en nicht van de bruid), dan de 27 jarige Neeltje Willempje Oskam, daarnaast haar 27 jarige nicht Aaltje Bosman en haar 35 jarige man Jan Dirk Kreuger, vervolgens de 42 jarige Hendrik Sloesarwij (D8.7.1) naast zijn neef Cornelis Bos (D9.20), de 39 jarige oom van de bruid.

Tijdens de bruiloft werd ook een trouwfoto van het bruidspaar gemaakt, die staat op de fotogalerij. Na hun huwelijk vestigden Jannigje Bos en Cor van den Broek zich op een veehouderij in Alphen aan de Rijn. Zwager Abraham Kool die als getuige bij hun huwelijk optrad, had daar een taxibedrijf. Hij wees hen erop dat die boerderij te huur was. Een paar jaar later – toen de economische crisis uitbrak – huurden Jannigje en Cor om kosten te besparen een goedkoper bedrijf in de polder Oudshoorn. De opbrengst verbeterde omdat bij die boerderij meer land van hogere kwaliteit hoorde. Jannigje Bos overleed op woensdag 17 februari 1982 op haar boerderij in Alphen aan de Rijn, ze werd 79 jaar. Haar weduwnaar Cornelis Wilhelm van den Broek overleed daar nog geen jaar later op maandag 27 januari 1983 hij werd 87 jaar oud. Jannigje Bos en Cor van den Broek hadden 4 kinderen. Momenteel zijn er 13 kleinkinderen, 40 achterkleinkinderen en 5 achter-achterkleinkinderen.

D10.3 Pieter Bos, zoon van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op vrijdag 27 januari 1905 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader Pieter de Lange. Pieter Bos ging naar de protestants christelijke lagere school en werd daar in 1914 gefotografeerd. Toen hij 14 was overleed zijn moeder en twee jaar later hertrouwde zijn vader en werd Grietje Oskam zijn stiefmoeder.

Anonieme tekening uit 1916 met daarop leden van de Wielrijderscompagnie van de Vrijwillige Landstorm.

Anonieme tekening uit 1916 met daarop leden van de Wielrijderscompagnie van de Vrijwillige Landstorm.

Een jaar later – op 17 jarige leeftijd – meldde Pieter Bos zich aan bij de Vrijwillige Landstorm. Deze organisatie was opgericht vanwege de oorlogsdreiging die vooraf ging aan de 1e wereldoorlog (1914 – 1918). De Landstorm diende als ondersteuning van het leger en bleef ook na beëindiging van die oorlog voortbestaan, omdat een nieuw gevaar dreigde. In 1917 brak de Russische revolutie uit en ook in Nederland werd onder leiding van Pieter Jelles Troelstra een poging tot revolte gewaagd. En de familie Bos vreesde natuurlijk dat hun geld en bezit dezelfde weg zou gaan als de waardeloos geworden Russische obligaties. Daarom trad Pieter Bos op maandag 8 januari 1923 vrijwillig onder de wapenen. Hij kreeg een semi militaire opleiding en werkte tot zijn twintigste bij onderdelen van de Vrijwillige Landstorm in Amsterdam, Alkmaar en Haarlem. Op zaterdag 20 juni 1925 werd hij ontslagen en ingelijfd bij het reguliere leger als dienstplichtig soldaat. Pieter bracht ruim twee maanden door bij het 10e regiment infanterie (landmacht) dat gelegerd was in Ede. Op vrijdag 4 september 1925 kreeg hij groot verlof en daarna keerde hij daar in 1928 en 1930 telkens twee weken terug, voor een opfriscursus.

Dienstplichtig soldaat Pieter Bos op 34 jarige leeftijd, gekleed in het uniform van de landmacht dat werd uitgereikt bij de mobilisatie in 1939.

Dienstplichtig soldaat Pieter Bos op 34 jarige leeftijd, gekleed in het uniform van de landmacht dat werd uitgereikt bij de mobilisatie in 1939.

In 1939 werd het Nederlandse leger vanwege de Duitse oorlogsdreiging, in de hoogste staat van paraatheid gebracht. Op woensdag 28 augustus 1939 kondigde de regering de mobilisatie af en moesten alle dienstplichtige soldaten zich melden bij de kazernes. Pieter Bos werd ingedeeld bij het garnizoen van de landmacht in Rotterdam. Hij werd toegevoegd aan de staf van Etappencommando Rotterdam (ECR) en werkte bij de afdeling Verzending. Het garnizoen in Rotterdam beschikte over militaire slachthuizen en koelcellen en magazijnen met foerage, kleding en schoeisel. Het was de taak van de afdeling Verzending om de goederen uit de centrale opslagplaatsen te vervoeren naar legeronderdelen binnen de stad en de rest van het land. Behalve de landmacht waren ook onderdelen van luchtmacht, genie en marine in Rotterdam gelegerd, maar alleen ECR bestond bijna geheel uit Rotterdammers. Dienstplichtig soldaat Pieter Bos was één van de weinigen die de stad niet goed kende, omdat ie van buiten kwam. Alle onderdelen van ECR – zoals de strijdkrachten, de politietroepen (marechaussee), de motordienst, het detachement motorvaartuigen en de facilitaire afdelingen waren in verschillende wijken van Rotterdam ondergebracht, in kazernes, scholen en andere grote gebouwen. Het geheel stond onder leiding van luitenant kolonel Paul Jacobus Gaillard (1883 – 1945) die het Oude Raadhuis aan de Hoogstraat in het centrum van de stad, als hoofkwartier had ingericht.

In de vroege morgen van vrijdag 10 mei 1940 trokken vijandelijke troepen het land binnen en landden Duitse parachutisten in het havengebied van Rotterdam. In het Oude Raadhuis – dat vlakbij de Maas en de havens lag – hoorde men de oorlogsgeluiden. En de bevelhebber van ECR en zijn staf kwamen onmiddellijk in actie. In een flexibele commandostructuur werden ruim 1000 militairen van dit krijgsmacht onderdeel direct ingezet, overal in en rond de stad waar dat nodig was.

Prentbriefkaart van het Witte Huis aan de Geldersekade, bij de Vier Leeuwenbrug in Rotterdam. Dit rijksmonument werd gebouwd in 1897 en heeft als één van de weinige gebouwen in het stadscentrum van Rotterdam het bombardement in 1940 doorstaan.

Prentbriefkaart van het Witte Huis aan de Geldersekade, bij de Vier Leeuwenbrug in Rotterdam. Dit rijksmonument werd gebouwd in 1897 en heeft als één van de weinige gebouwen in het stadscentrum van Rotterdam het bombardement in 1940 doorstaan.

Op 10 mei 1940 om 6:30 uur in de ochtend gaf luitenant Weijers – de leidinggevende van Pieter Bos – vanuit het hoofdkwartier telegrafisch bevel aan de soldaten van de afdeling Verzending, om zich te verzamelen in het Oude Raadhuis. Daar kreeg iedereen die in staat was een wapen te bedienen een geweer aangereikt. Vervolgens vertrok een troepeneenheid van naar schatting 50 man onder leiding van de Rotterdamse reserve kapitein infanterie D.H. Hardenberg naar de Maas om aansluiting te zoeken bij andere legereenheden en de bruggen te verdedigen.

Zodoende heeft Pieter Bos deelgenomen aan gevechten in het Maasstation. En later kwam hij in het Witte Huis terecht, dat in die dagen het hoogste gebouw van Rotterdam was. Vanaf 8:30 uur in de morgen drongen verschillende eenheden van de landmacht, de genie en mariniers daar binnen. Ze klommen omhoog via de brandtrappen terwijl ze door de Duitsers met machinegeweervuur werden bestookt. Het gebouw werd tot een egelstelling omgebouwd. De mitrailleurschutters zaten op de bovenste etages en geweerschutters zoals Pieter Bos, een paar verdiepingen lager. Men kon naar alle kanten vuur geven en het Witte Huis werd het symbool van het Rotterdamse verzet tegen de Duitse luchtlanding. Het was werkelijk een voornaam bolwerk op die locatie, in dat strijdperk. Ook in het algemeen was het antwoord van de Rotterdamse legeronderdelen op de Duitse overval adequaat. Drie uur na de inval was een stevige afgrendeling van de Maasbruggen georganiseerd (2). Vijftig jaar later is over het verloop van de oorlog in Rotterdam een documentaire uitgezonden door de AVRO. Daarin wordt met gebruikmaking van authentieke beelden op heldere wijze de verbeten strijd aan de Maas waar Pieter Bos direct bij betrokken was, weergegeven:

Vlak voor het bombardement van Rotterdam op dinsdagmorgen 14 mei 1940 raakte een strijdmakker van Pieter Bos, Willem d’Achard van Enschut op de Geldersekade dichtbij het Witte Huis waarheen ze vermoedelijk gezamenlijk op weg waren zwaar gewond aan het hoofd door een granaatscherf. De omgeving werd de hele ochtend door de Duitsers vanaf de overkant van de Maas, met mortieren en ander zwaar geschut beschoten. En de 25 jarige dienstplichtig soldaat van de afdeling Verzending van de staf ECR overleed de volgende dag aan zijn verwondingen in het Diakonessenziekenhuis te Rotterdam.

Na het bombardement was het deel van de binnenstad van Rotterdam waarin het hoofdkwartier van ECR lag, veranderd in een ruïne. Het verblijf in het Oude Raadhuis en de straten eromheen was door de vele branden, de dichte rook en rondvliegende stukken vuur onmogelijk geworden. Overste Gaillard en zijn staf verlieten op dinsdagmiddag 14 mei 1940 het brandende gebouw aan de Hoogstraat. Aan alle onder zijn bevel staande troepen werd gemeld dat het hoofdkwartier was verplaatst naar de kazerne van de politietroepen ter hoogte van het hedendaagse adres Westersingel 12, dat net buiten het gebombardeerde gebied in het centrum van Rotterdam lag. Daar kwam de order van de opperbevelhebber van het Nederlandse leger in Rotterdam binnen om het vuren te staken. Dat bericht werd niet geloofd en daarom vertrok overste Gaillard persoonlijk naar het hoofdkwartier om de juistheid te controleren. Terwijl hij weg was, kwamen Duitse troepen de kazerne aan de Westersingel binnen. Ze wilden de zich daar bevindende Rotterdamse militairen ontwapenen en naar huis sturen. De meeste manschappen gaven geen gehoor aan de Duitse bevelen en er volgde een vuurgevecht in de straten. Later rond 19:00 uur in de avond betraden de Duitsers het pand opnieuw en ontwapende de militairen van ECR die daar toen aanwezig waren.

Een groep ontwapende Nederlandse soldaten die krijgsgevangen zijn genomen en onder bewaking staan van twee Duitse militairen. Deze foto werd genomen door een Duitse fotograaf in Rotterdam op 14 mei 1940 en gepubliceerd in ‘Rotterdam Frontstad’ van Gerard Groeneveld, uitgegeven in april 2016.

Een groep ontwapende Nederlandse militairen van verschillende legeronderdelen die krijgsgevangen zijn genomen en onder bewaking staan van twee gewapende Duitsers. Helemaal rechts staan drie dienstplichtige soldaten van de landmacht. Deze foto werd genomen door een Duitse oorlogsfotograaf in Rotterdam op 14 mei 1940 en gepubliceerd in ‘Rotterdam Frontstad’ van Gerard Groeneveld, uitgegeven in april 2016.

Ook dienstplichtig soldaat Pieter Bos heeft in de kazerne van de politietroepen ter hoogte van Westersingel 12 de wapens afgelegd en raakte waarschijnlijk in de verwarring het verband met zijn legeronderdeel kwijt. Overste Gaillard, leden van zijn staf en politietroepen werden krijgsgevangen gemaakt en in de Stieltjeskerk in Rotterdam Zuid opgesloten. Anderen zijn naar huis gegaan, maar Pieter Bos kon niet naar huis. Hij werd gevangen genomen en heeft de nacht in een klooster doorgebracht, vermoedelijk met een paar soldaten van ECR die ook niet uit Rotterdam kwamen. De volgende dag op woensdag 15 mei 1940 werd Pieter Bos geïnterneerd in het park tussen de Maas en de Westzeedijk te Rotterdam. Deze locatie was provisorisch ingericht en met prikkeldraad afgezet en werd bewaakt door Duitse schildwachten.

Op de derde dag na de capitulatie – halverwege vrijdag 17 mei – waren de schildwachten opeens verdwenen en meldde Pieter Bos zich bij de kazerne ter hoogte van Westersingel 12, die inmiddels weer in bedrijf was. Want de krijgsgevangenschap van overste Gaillard en zijn staf was de dag daarvoor al beëindigd. Eerst werden de politietroepen in vrijheid gesteld door het hoogste Duitse gezag in Rotterdam. En vervolgens slaagde overste Gaillard erin om ook zijn overige personeel vrij te krijgen. Al met al duurde hun krijgsgevangenschap in de Stieltjeskerk tot donderdag 16 mei 1940. Ze keerden in de voormiddag terug in de kazerne aan de Westersingel. Het pand bleek te zijn geplunderd. Er was ongeveer 500 gulden weg, archieven waren verstrooid en particuliere eigendommen gestolen. 

Na orde in deze chaos te hebben aangebracht werden maatregelen getroffen om de politietroepen te herbewapenen. Dit onderdeel van ECR hervatte de normale werkzaamheden en bleef bovendien beschikbaar (op last van de Duitse commandant) voor het houden van toezicht in de binnenstad, teneinde diefstal en plundering tegen te gaan. Tijdens de vier dagen oorlog waren ook Nederlandse troepen van buiten de stad naar Rotterdam gekomen om deel te nemen aan de strijd langs de Maas. In de dagen na 16 mei gaf overste Gaillard opdracht om de door hen achtergelaten militaire voertuigen die overal in de stad stonden, te verzamelen. En na de verschillende voertuigen met een Duits visum te hebben gevrijwaard van vordering, werd garageruimte gehuurd. Op deze wijze kreeg ECR weer de beschikking over auto’s en motoren. Ook nam ECR de verpleging en verzorging op zich van Nederlandse militairen van elders, die nog in Rotterdam verbleven. En op zaterdag 25 mei 1940 werd soldaat Pieter Bos – samen met andere dienstplichtigen van ECR die werk hadden – door overste Gaillard op groot verlof gestuurd. De verlofpas die hij meekreeg diende tevens als vervoerbewijs voor de trein naar huis (3).

Pieter Bos keerde eind mei 1940 getraumatiseerd terug uit Rotterdam en dat is nooit meer goed gekomen. Hij woonde en werkte op de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen, samen met zijn stiefmoeder Grietje Oskam, zus Marretje (D10.4) en broer Gijsbert Bos (D10.5). Toen die laatste in 1944 trouwde trok Pieter in bij zijn oudste zus Jannigje Bos (D10.2) en haar gezin in Alphen aan de Rijn. Hij woonde en werkte daar toen hij op vrijdag 27 februari 1948 bij het ministerie van oorlog een oorlogsherinneringskruis aanvroeg. Hij motiveerde zijn aanvraag met het gedicht:

Ik streed aan de zijde van die vielen

Ik streed aan de zijde die ’t leven hielden

We wilden niet wijken als helden

Door de overmacht moesten we ‘t ontgelden.

Oorlogsherinneringskruis met gesp voor bijzondere krijgsverrichtingen ‘Nederland mei 1940’. Uitgereikt aan dienstplichtig soldaat P. Bos van het wapen der infanterie. ’s Gravenhagen, 7 september 1948 (4).

Oorlogsherinneringskruis met gesp voor bijzondere krijgsverrichtingen ‘Nederland mei 1940’. Uitgereikt aan dienstplichtig soldaat P. Bos van het wapen der infanterie. ’s Gravenhagen, 7 september 1948 (4).

Pieter Bos droeg zijn oorlogskruis altijd bij zich. De strijd om Rotterdam en het bombardement leefde voort in zijn herinnering. Hij trouwde niet en stierf op vrijdag 12 februari 1988 in zijn woning aan het Koningin Wilhelminaplein te Kockengen, hij werd 83 jaar oud.

D10.4 Marretje Bos met de roepnaam Mar, dochter van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op zondag 15 juli 1906 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Ze werd vernoemd naar haar grootmoeder Marretje Hoogendoorn. Toen Marretje 8 was werd ze op school gefotografeerd.

Foto van Marretje Bos op 10 jarige leeftijd.

Foto van Marretje Bos op 10 jarige leeftijd.

Haar moeder overleed toen ze 12 was en twee jaar later hertrouwde haar vader en werd Grietje Oskam haar stiefmoeder. Rond haar twintigste raakte Marretje Bos bevriend met de 22 jarige Gijsbert Nap. Hij was net als haar vader Teunis Bos een zoon van een winkelier en hij wilde ook graag boer worden. Het was de bedoeling dat Gijsbert en Marretje later het boerenbedrijf in Kockengen zouden voortzetten.

De 22 jarige Marretje Bos en de 23 jarige Gijsbert Nap. Detail van een foto die in 1928 op een bruiloft werd gemaakt.

De 22 jarige Marretje Bos en de 23 jarige Gijsbert Nap. Detail van een foto die in 1928 werd gemaakt op de bruiloft van Neeltje Willempje Oskam te Portengen 15 in de gemeente Laagnieuwkoop.

Marretje en Gijsbert waren in 1927 op het huwelijksfeest van haar zus Jannigje Bos (D10.2). En ander half jaar later waren ze samen met haar ouders en haar 10 jarig broertje Adriaan Bos (D10.6) op de bruiloft van Neeltje Willempje Oskam, wiens bruidsfoto op de fotogalerij te zien is. Tevens staat daar een portretfoto van Marretje uit die tijd. Het jaar daarop kreeg ze tuberculose en door die gevreesde ziekte kwam er een einde aan de relatie van deze twee jonge mensen.

Marretje Bos werd besmet met longtuberculose, een bacteriële infectieziekte waarvan men vroeger dacht dat het erfelijk was omdat er vaak meerdere gevallen binnen één gezin voorkwamen. Deze ziekte heeft in de loop der eeuwen enorme aantallen slachtoffers geëist. Symptomen waren pijn in de borst en langdurig hoesten, waarbij slijm en soms ook bloed loskwam. De tuberculose bacterie verspreidde zich door de lucht als een patiënt hoestte of nieste. Aan het begin van de twintigste eeuw stierven er in Nederland jaarlijks zeker 10.000 mensen aan. Ook Laures Meulenberg, de schoonzoon van Willem van Bemmel (B9.2) overleed eraan. Eigenlijk was toen iedereen besmet, maar niet iedereen werd ernstig ziek. De ziekte nam verschillende vormen aan. Velen genazen en bouwden immuniteit op. Anderen stierven heel snel na de eerste symptomen, dat noemde men ‘vliegende tering’. Volgens overleveringen stierf Marretjes moeder Johanna de Lange daaraan. En ook van Jan Spruijt  (CC7.2) de jong overleden man van Elisabeth Beijen werd dat gezegd. Mensen op veehouderijen liepen extra risico omdat ze besmet konden raken via runderen die tuberculose hadden, door rauwe melk te drinken van deze koeien. Pas aan het begin van de 2e wereldoorlog, in 1940 werd pasteurisatie van koemelk verplicht en mochten melkboeren de melk niet meer rechtstreeks van veehouders betrekken. En met de komst van antibiotica – na de 2e wereldoorlog – kwam er een geneesmiddel. Maar toen leefde Marretje niet meer.

Foto van een tuinhuisje met een tuberculose patiënt uit de eerste helft van de 20ste eeuw.

Foto van een tenthuisje met een tuberculose patiënt uit de eerste helft van de 20ste eeuw.

In Marretjes tijd bestond de behandeling van tuberculose uit goed eten en veel rusten in ‘gezonde’ buitenlucht. Want frisse lucht en zonlicht verbeterde de conditie van patiënten. Er werd een soort houten tent in de boomgaard van de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen geplaatst. Het tenthuisje stond op een draaischijf zodat het met de zon kon worden meegedraaid en de zieke uit de wind bleef. Marretje Bos lag dag en nacht in die tent, zomer en winter. Eén keer per dag kwam er een verpleegster van het Groene Kruis (een organisatie die zich bezig hield met het verzorgen van zieken) voor de medische verzorging en de familie deed de rest. Soms ging het beter met Marretje, maar bij haar had de tuberculose een chronisch karakter aangenomen en de ziekte verschijnselen kwamen steeds terug.

Om en nabij het jaar 1935 kreeg Grietje Oskam’s jongste zus Neeltje Willempje Oskam ook tuberculose. Ze werd door haar man Antonie de Gier naar Kockengen gebracht en er samen met Marretje Bos verpleegd. De vriendinnen kuurden ruim een jaar met z’n tweeën in de boomgaard. Neeltje Willempje Oskam overleed daar in 1936. Het jaar daarop overleed Marretjes vader Teunis Bos. En in 1942 hertrouwde haar stiefmoeder Grietje Oskam met Adrianus Doornenbal (C8.8.1). Marretje was toen 36 jaar en ging samen met Grietje Oskam bij haar nieuwe man aan de Tiendweg in Harmelen wonen.

Foto van de 82 jarige Elly de Gier, die op 9 jarige leeftijd vanaf 1944 ruim een jaar met Marretje Bos heeft samengewoond. Ze weet nog dat het een stille magere vrouw was, die af en toe ziek was. Elly de Gier woonde in Parkstraat 30 in Utrecht, waar haar vader een melk zaak had. Het was een spannende tijd voor haar. Ze moest bij haar tante Grietje in Harmelen gaan wonen omdat het tijdens de 2e wereldoorlog te gevaarlijk voor haar werd in Utrecht. Ze had tijdens de oorlog al eerder bij tante Grietje gelogeerd, toen zij nog de baas op de boerderij in Kockengen was. Als ze daar was mocht ze op de tol passen en dat vond ze geweldig. Ze zat in Utrecht op de Maliebaanschool en ging in Harmelen naar de dorpsschool, waar ze zwarte kniekousen moest dragen en het heel prettig had.

Foto uit 2017 van de 82 jarige Elly de Gier, die op 9 jarige leeftijd vanaf 1944 ruim een jaar met Marretje Bos heeft samengewoond. Het was een magere, stille dame die op haar een ietwat verwaande indruk maakte. Elly de Gier woonde aan Parkstraat 30 in Utrecht, waar haar vader een melkzaak had. Het was een spannende tijd voor haar. Ze moest bij haar tante in Harmelen gaan wonen omdat het tijdens de 2e wereldoorlog te gevaarlijk voor haar werd in Utrecht. Ze had al eerder bij tante Grietje gelogeerd, toen zij nog de baas op de boerderij in Kockengen was. Als de kleine Elly daar was mocht ze op de tol passen en dat vond ze geweldig. Ze zat in Utrecht op de Maliebaanschool en ging in Harmelen naar de dorpsschool, waar ze zwarte kniekousen moest dragen en het heel erg naar haar zin had.

In 1944 kwam hun nichtje Eeltje Willy (Elly) de Gier bij hen inwonen. Zij was geboren in het jaar dat haar moeder Neeltje Willempje Oskam ziek werd. Haar vader Antonie de Gier kwam haar om de twee weken op zondag bezoeken in Harmelen. Toen de oorlog afgelopen was kwamen haar broers haar halen en ging ze met hen mee terug naar huis. Een paar maanden daarna stierf Marretje Bos, na een lang en zwaar ziekbed. Ze overleed in het huis van haar stiefouders in Harmelen op donderdag 11 oktober 1945 en werd 39 jaar oud.

D10.5 Gijsbert Bos met de roepnaam Gijs, zoon van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op maandag 19 oktober 1908 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader Gijsbert Bos. Op 6 jarige leeftijd ging hij naar school en werd daar op de foto gezet.

Op deze foto staat de 11 jarige Pieter Bos en zitten de 7 jarige Gijsbert (met de leidsels in zijn handen) en de 10 jarige Marretje Bos in hun speelrijtuig met een geit ervoor gespannen. De opname is gemaakt op de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 te Kockengen in het jaar 1916.

De 7 jarige Gijsbert Bos (met de leidsels in zijn handen) en zijn 10 jarige zus Marretje zitten in het speelrijtuig met een geit ervoor gespannen en hun 11 jarige broer Pieter staat ervoor. De opname van deze spelende kinderen werd gemaakt op de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 te Kockengen in het jaar 1916 toen hun moeder nog leefde.

Gijsberts moeder overleed toen hij 10 was en twee jaar later werd Grietje Oskam zijn stiefmoeder. Hij en zijn oudere broer Pieter Bos (D10.3) werkten van jongs af aan met z’n tweeën in het bedrijf. Zijn vader deed de bedrijfsvoering en na zijn overlijden in 1937 nam Grietje Oskam dat over. Ze hertrouwde in 1943 met Adrianus Doornenbal en verhuisde naar Harmelen. Toen moest Gijsbert Bos de bedrijfsleiding op zich nemen.

Hij trouwde vijf maanden later op 35 jarige leeftijd in Vreeland op donderdag 23 maart 1944 met de 25 jarige Grietje Zeldenrijk, ook genoemd Grie. Ze werd geboren op maandag 6 januari 1919 als dochter van Nicolaas Anthonie Zeldenrijk en Evertje de Wit (B10.1), op boerderij Livonia aan Grebbedijk 38 in Wageningen. Daar bracht ze de eerste tien jaar van haar leven door. Haar vader was ziekelijk, maar voor haar was het een gelukkige tijd. Grietjes grootvader Gerrit de Wit (C9.1) was er vaak, omdat hij de bedrijfsleiding overnam van zijn schoonzoon als die ziek was. En Grietje had een innige band met haar opa. In 1929 verkochten haar ouders de boerderij in Wageningen en kochten vervolgens een kleiner bedrijf aan de Nigtevechtseweg in Vreeland. Een jaar later brak de economische recessie uit en door de geldontwaarding, was er achteraf gezien veel teveel betaald voor het boerenbedrijf in Vreeland. De landbouwprijzen daalden en ze werden steeds armer. In 1935 – toen Grie 16 was – overleed haar moeder Evertje de Wit. Haar vader hertrouwde in 1938 en het jaar daarop verliet Grie het ouderlijk huis.

Portretfoto van Grie Zeldenrijk die omstreeks 1939 werd gemaakt.

Portretfoto van Grie Zeldenrijk die omstreeks 1939 werd gemaakt.

Ze ging op 20 jarige leeftijd per 1 juni 1939 aan het werk als dienstbode op hofstede de Hoge Ham aan de Parkweg in Vleuten, bij haar tante Cor de Wit (B10.4). En tijdens de 2e wereldoorlog nam haar oudere zus Adriana Zeldenrijk (zie fotogalerij) dat werk over en ging Grie op een boerderij aan de Winkeldijk in Abcoude aan de slag. Op 1 januari 1942 – toen ze bijna 23 was – trad ze in dienst van Evertje Doornenbal (C8.10) een nicht van haar grootvader Gerrit de Wit. Zij was in 1928 getrouwd met Willem Driessen en ze hadden jonge kinderen. Grie Zeldenrijk woonde en werkte twee jaar bij ze en het beviel haar prima daar.

Evertje Doornenbal was behalve een nicht van Grietjes opa, ook een nicht van Adrianus Doornenbal (C8.8.1). Die leerde Grie kennen toen hij er op bezoek kwam. En vervolgens stelde hij zijn stiefzoon Gijsbert Bos voor om contact met haar op te nemen toen die een vrouw nodig had. Dat deed Gijsbert en Grie werd boerin op zijn boerderij in Kockengen. Toen ze vier jaar getrouwd waren, konden Grie Zeldenrijk en Gijsbert Bos in het jaar 1948 de boerderij ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen die ze huurden, kopen. De eigenaar wilde er vanaf om het kapitaal dat in de oorlog verloren was gegaan, aan te vullen. Ze besloten het te doen en de aankoop van de boerderij werd gefinancierd door zijn stiefvader Adrianus Doornenbal. Ze waren zijn enige erfgenamen en kregen een voorschot op hun erfenis.

Luchtfoto uit 1963 van de watermolen aan Wagendijk 15 in Kockengen. Links daarvan lag het ‘Pad van Bos’ dat over het land van Grie Zeldenrijk en Gijsbert Bos liep. Het is duidelijk te zien hoe de weg via de brug over de wetering (linksboven) richting Teckop voortslingerde. Deze tolweg was in 1963 nog steeds de enige weg die Kockengen en Kamerik met elkaar verbond. Het heeft nog jaren geduurd voordat er een provinciale weg naar Teckop werd aangelegd en deze particuliere tolweg zijn functie verloor.

Luchtfoto uit 1963 van de watermolen aan Wagendijk 15 in Kockengen. Links daarvan lag het ‘Pad van Bos’ dat over het land van Grie Zeldenrijk en Gijsbert Bos liep. Het is duidelijk te zien hoe de weg via de brug over de wetering (linksboven) richting Teckop voortslingerde. Deze tolweg was in 1963 nog steeds de enige weg die Kockengen en Kamerik met elkaar verbond. Het heeft nog jaren geduurd voordat er een provinciale weg naar Teckop werd aangelegd en deze particuliere tolweg zijn functie verloor.

Gijsbert Bos overleed in het Hofpoort ziekenhuis te Woerden op dinsdag 2 mei 1978, hij werd 69 jaar. Vijf jaar daarna werd de boerderij van de familie Bos verkocht. Het circa tweehonderd jaar oude pand met het tolhek werd gesloopt en er kwam een woonhuis te staan aan Wagendijk 13 in Kockengen. Grie Zeldenrijk ging in Breukelen wonen en overleefde haar man tweeëndertig jaar. Ze werd 91 jaar oud en stierf op maandag 26 juli 2010 in verzorgingshuis ‘de Aa’ te Breukelen. Grie Zeldenrijk en Gijsbert Bos hadden 3 kinderen. Momenteel zijn er ook 3 kleinkinderen en 8 achterkleinkinderen.

D10.6 Adrianus Bos met de roepnaam Adriaan en Arie, zoon van Johanna de Lange en Teunis Bos werd geboren op maandag 6 augustus 1917 ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen. Hij werd vernoemd naar zijn oom Adrianus de Lange, wiens foto op de fotogalerij staat. Zijn moeder overleed toen hij een baby was. Na haar overlijden werd hij verzorgd door Teuntje Kasteleijn de vrouw van zijn vaders neef Hendrik Sloesarwij (D8.7.1) en verbleef hij bij hun op de boerderij ter hoogte van Wagendijk 20. Twee jaar later nam Grietje Oskam – de nieuwe vrouw van zijn vader – de zorg voor hem op zich. Zij was de enige moeder die Adriaan kende. Hij ging naar de protestant christelijke lagere school in Kockengen en werd daar in 1923 en 1927 op de foto gezet.

Foto van de ongeveer 12 jarige Adriaan Bos. Deze opname waarop hij staat afgebeeld met de boerderijhond is omstreeks het jaar 1929 gemaakt voor de boomgaard ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen.

De 12 jarige Adriaan Bos met de boerderijhond. Deze opname werd omtrent het jaar 1929 gemaakt voor de boomgaard ter hoogte van Wagendijk 13 in Kockengen.

Later volgde Adriaan een opleiding aan de slagersvakschool en werd hij net als zijn ooms Harmen Bos (D9.4) en Jan Thomas Bos (D9.12) slager van beroep. Rond z’n twintigste werkte hij als slagersbediende in Noorden en terwijl hij daar bestellingen rondbracht, ontmoette hij zijn toekomstige vrouw. Hij trouwde op 22 jarige leeftijd in Nieuwkoop op woensdag 13 december 1939 met de 25 jarige Klasina Koole met de roepnaam Sien. Ze werd geboren op zaterdag 18 juli 1914 op boerderij de Noordhoek, Hogedijk 1 in Noorden als dochter van Leuntje Maria Both en haar neef Bastiaan Pieter Jacob Koole. Diens zus Antje Koole was in 1907 getrouwd met Dirk Jan van den Broek, een neef van Cornelis Wilhelm van den Broek (D10.2). Leuntje en Bastiaan hadden zes dochters en op de fotogalerij staat een kinderfoto van Klasina Koole en haar vijf zussen. Zus Teuntje Koole, huwde met Floris Verduijn en zij waren eigenaar bewoner van de Leijdels Hoeve (D8) in het buurtschap Teckop te Kamerik waar honderd jaar eerder Adriaans grootvader Gijsbert Bos werd geboren.

Na hun huwelijk vestigden Klasina en Adriaan zich in Aalsmeer. Daar werd drie maanden later hun eerste kind geboren. Twee maanden daarna brak de 2e wereldoorlog uit en tijdens die oorlog werden er nog twee kinderen geboren. Gedurende de bezetting werd Adriaan enkele malen opgepakt door de Duitsers en naar dwangarbeiderskampen in Duitsland gestuurd.

Op 28 februari 1941 kondigde rijkscommissaris Seyss-Inquart de verordening af, waarin de verplichting tot het verrichtten van diensten werd vastgesteld. Dit vormde de basis van de verplichte tewerkstelling in nazi-Duitsland en de bezette gebieden. Aanvankelijk werden via de Nederlandse arbeidsbureaus die allerlei dwangmiddelen hadden, mannelijke werklozen geronseld. Maar eind 1941 werd het beleid gewelddadiger. Bedrijven werden uitgekamd, jonge mannen werden opgeroepen en tenslotte vonden razzia’s en klopjachten plaats. Meer dan 10 miljoen buitenlandse dwangarbeiders verbleven tussen 1939 en 1945 in Duitsland en de door Duitsers bezette gebieden. Ruim een half miljoen van hen waren Nederlanders. Als gevolg van slechte huisvesting, gezondheidsproblemen, arbeidsongevallen of bombardementen kwamen er – naar schatting van het Rode Kruis – 30.000 Nederlanders om het leven (5).

Adriaan Bos – die in het levensonderhoud van zijn jonge gezin moest voorzien – wist steeds uit de kampen in Duitsland te ontsnappen en legde vaak lange afstanden te voet af om weer thuis in Aalsmeer te komen. Enkele jaren na de oorlog verhuisden ze naar Haarlem en in 1954 vestigden ze zich in Zandvoort aan Zee. Adriaan Bos hield net als zijn vader van paarden en was vaak op renbaan Duindigt te vinden waar hij meestal wel een paard had lopen dat meedeed aan de koersen. Zijn vrouw Klasina Koole overleed op donderdag 25 september 1997 in verpleeghuis ‘Elderhoeve’ te Arnhem, ze werd 83 jaar. Adrianus Bos stierf bijna twaalf jaar later in zorgcentrum ‘Huis in de Duinen’ te Zandvoort aan Zee op vrijdag 30 januari 2009, hij werd 91 jaar oud. Adrianus Bos en Klasina Koole kregen 6 kinderen. Hun jongste dochter Marretje Klasina Bos overleed in 1951 te Haarlem aan difterie, toen ze een jaar oud was. De andere 5 groeiden op en huwden. Momenteel zijn er 11 kleinkinderen, 18 achterkleinkinderen en 1 achter- achterkleinzoon.